een gebied met een bijzonder ontstaan
een eigen historie
het verhaal van natuur en stad komt hier samen
luister naar de Vinkeveense Plassen
Geschiedenis Vinkeveense Plassen

Wist je dat hier 200 jaar geleden helemaal geen plassen waren? Toen was het hier één groot drassig land. Al heel lang staken mensen turf om te gebruiken als brandstof. Begin 20ste eeuw gebeurde dit turfsteken op steeds grotere schaal en werden de gedroogde turfjes op platte schepen naar Amsterdam vervoerd om daar te verkopen. Er ontstonden sloten en langgerekte eilanden. Die noemen we legakkers. Nog steeds zie je deze legakkers terug op de Plassen. In de jaren ’60 van de vorige eeuw zijn de Vinkeveense Plassen zoals we ze nu kennen pas ontstaan. Toen zijn er tonnen met grond afgegraven, duizenden en duizenden kilo’s zand opgezogen en daarop is de Bijlmer gebouwd. De twaalf zandeilanden waar je nu lekker op kan zonnen, zijn ook in de periode aangelegd. Bijzonder verhaal, toch?

Onze stille kracht Merlijn houdt erg van dit gebied met haar natuur en geschiedenis. Zij heeft deze fijne teksten over de geschiedenis geschreven. Super leuk (en interessant) om te lezen!
Geschiedenis van het turfsteken

Wat eens land was, is nu water en eilandjes. De Vinkeveense Plassen zijn ontstaan door de mens. Zij hebben het veen afgegraven tot onder de waterspiegel en te drogen gelegd op langgerekte stukken land die niet werden ontgraven. Zo zijn niet alleen de Vinkeveense Plassen ontstaan, maar ook de Loosdrechtse Plassen, Nieuwkoopse Plassen en de Reeuwijkse Plassen.

Wil je precies weten hoe het ging?

lees hier verder
Turfwinning

Turf is een brandstof gemaakt uit gedroogde oude plantenresten uit de bodem. Een stukje turf was meestal 22 x 6 x 6 cm.

Van maart tot juni werd het veen gebaggerd en op langgerekte eilanden te drogen gelegd tussen schotten. De bagger werd tot zo’n 35 cm hoog aangebracht, wat uiteindelijk de maat van 22 cm opleverde als het ingedroogd was. Het veen werd hierna drie keer getrapt om het water eruit te krijgen en een gelijkmatig geheel te krijgen. De eerste dag in de lengte, de tweede dag in de breedte en de derde dag noemden ze het ‘aftrappen’. Hierna werd er met touw lijnen gespannen en werd het turf gestoken met een steekijzer. Dan ging je met de turfklauw voren trekken. Dit alles deed je zowel in de lengte als breedte richting. Zo ontstond de vakverdeling van het turf.

Na ongeveer 1 á 2 weken werden de turven opgebroken met de ‘opbreekwant’. Dan had je allemaal kleine turfjes. Per drie werden ze opgepakt en weggezet op de anderen. De bovenste konden dan drogen. Hierna werd alles omgedraaid: de doorzetregel. Wat een werk voor wat brandstof..

Nadat alles goed gedraaid was, werd een turfhoop (steupel) gemaakt. De turven werden zodanig opgestapeld dat de wind er goed doorheen kon waaien. De droge turven kwamen in het midden en aan de buitenkant de nog natte. De steupel werd met riet afgedekt.  Zo ging het de winter in. Je moet je bedenken dat het zwaar werk was, werken op de legakkers, want alles was drassig en nat. In september lagen alle turven goed opgeborgen en was het tijd voor feest: De kermis kwam in Vinkeveen.

Vanaf september/oktober was de turf goed droog en werd het afgevoerd in manden met een lange platte boot naar Amsterdam. De boten werden veelal getrokken door paarden. Er gingen in 1 mand 50 turven. 20 manden waren 1000 turven. Per 1000 turven werd er een streepje gezet. Het zogenaamde turven. Weet je dat ook weer!

Veensteekmachine

Om het werk wat minder arbeidsintensief en ook efficiënter te kunnen uitvoeren, werden er coöperaties opgericht die een veenmachine aanschaften. Deze konden wel 400 roe per dag baggeren (1 roe is 14m2, 1 hectare is 700 roe). Het sneed in één keer drie kubieke meter veen af tot een diepte van 6 meter. In totaal zijn er vijf in bedrijf genomen. De laatste ‘ De Hoop op Zegen’ is tot 1975 in gebruik gebleven. Toen mocht turfwinning niet meer. De machine is nu te bewonderen in het museum De Ronde Venen.

Veensteekmachine

Om het werk wat minder arbeidsintensief en ook efficiënter te kunnen uitvoeren, werden er coöperaties opgericht die een veenmachine aanschaften. Deze konden wel 400 roe per dag baggeren (1 roe is 14m2, 1 hectare is 700 roe). Het sneed in één keer drie kubieke meter veen af tot een diepte van 6 meter. In totaal zijn er vijf in bedrijf genomen. De laatste ‘ De Hoop op Zegen’ is tot 1975 in gebruik gebleven. Toen mocht turfwinning niet meer. De machine is nu te bewonderen in het museum De Ronde Venen.

Polders rond de Vinkeveense Plassen

Het gehele veenweide gebied van het Groene Hart is door mensen gemaakt. Tót de 10e eeuw was het één groot ontoegankelijk drassig moerasgebied.

lees hier verder
Van moeras naar plas

Het gehele veenweide gebied van het Groene Hart is door mensen gemaakt. Tót de 10e eeuw was het een groot ontoegankelijk drassig moerasgebied. Daarna zijn de mensen begonnen met het ontginnen van het gebied. Dit betekende: bomen eraf en sloten gegraven. De sloten werden het achterland in gegraven vanaf de kleine riviertjes zoals De Waver. Op de grond die droog kwam te liggen, werd graan verbouwd. Dit ging goed, tot ongeveer 1400. Toen was de grond zover ingeklonken (gedaald onder NAP), dat het te nat werd en alleen veeteelt nog mogelijk was. In deze tijd werd turf ontdekt als brandstof en hele gebieden werden hierom ontgraven. Ook de polders rondom Mijdrecht. Grote stukken land stonden toen onder water. Kijk maar op de kaart uit 1749.

Droogmalen van de polders

Molens werden uitgevonden en men begon het gebied droog te malen. Dit wordt tot op de dag van vandaag nog gedaan met dieselgemalen. De polders rondom Mijdrecht liggen wel tot 6 meter onder NAP. De polders de Ronde Hoep, Nellesteyn en Waerdasacker, zijn niet ontgraven voor turf, maar hebben nog grotendeels hun oorspronkelijke middeleeuws verkavelingspatroon. Wel zijn ze ingeklonken (door het droogmalen) en liggen tot 2 meter onder NAP. Die verschillen in verkaveling zijn mooi te zien op de kaarten.

Ontstaan van de Vinkeveense Plassen

De Vinkeveense Plassen zijn niet drooggelegd (ingepolderd). Dit komt deels doordat de ondergrond zand is en geen (vruchtbare) klei en doordat waterrecreatie steeds populairder werd. In die tijd werd in de omliggende polders ook zichtbaar dat er op veel plekken kwelwater naar boven kwam. Dat betekent dat de grond verzadigd is van water en dat droogmalen dus een flinke klus is. In de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw sloegen de legakkers beetje bij beetje weg stuk door weer en wind. Langzaamaan ontstond er meer open water. Toen is er een ander plan ontstaan voor het gebied. De Vinkeveense Plassen bestaan in hun huidige vorm sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw. In 1960 kregen de Plassen de bestemming recreatie. De Noordplas is toen uitgebaggerd tot wel 50 meter diep voor zandwinning. Het zand is gebruikt voor de bouw van de A2 en de Bijlmer. Omdat de plas nu heel diep werd, ontstond er ook meer golfslag dat een bedreiging voor het omliggende land kon zijn. Daarom zijn de 12 openbare Zandeilanden aangelegd. En dat is weer fijn voor ons nu..

Geschiedenis van de Waterlinies

Haven Winkeloord ligt aan het riviertje de Winkel. Onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Eén van de 4 grote Waterliniewerken in ons land. Vlakbij vind je dan ook diverse ophogingen in het landschap, al dan niet met verdedigingswerken: Fort aan de Winkel is praktisch de overbuurman van Winkeloord. Maar Fort Abcoude, Fort Nieuwersluis, Fort Botshol en Fort Uithoorn liggen ook in de omgeving.

Van de geschiedenis van de diverse Waterlinies in ons land zijn boeken vol geschreven. In het kort komt het hier op neer: De Waterlinies zijn gebouwd met het idee dat land onderwater kon worden gezet, zodat de vijand (Spanjaarden, Fransen of Duitsers) Holland en met name Amsterdam niet konden veroveren. Wanneer de Waterlinie werd ingezet, stond het water zo’n 30 cm hoog, te diep voor kanonnen en te ondiep voor bootjes. De dijken stonden te hoog om onder water te zetten, daarom werden her en der forten gebouwd om deze delen te verdedigen.

lees hier verder
Verdedigingswerken

In Nederland zijn vier grote bekende waterlinies: Grebbelinie, Oud Hollandse Waterlinie, Nieuw Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. De Vinkeveense Plassen en zijn omgeving vallen in twee van de waterlinies: de Oud Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam.

De Hollandse Waterlinie is vanaf 1629 aangelegd en bestond uit versterkte steden zoals Muiden en Weesp met ertussen inundatiegebieden. Deze inundatiegebieden konden, ten behoeve van verdediging, onder enkele decimeters water worden gezet. Op twee plekken werd water ingelaten, vanaf de Lek en vanaf Muiden.  Er werd dan zo’n 30 tot 50 cm water op de weilanden gelaten. Diep genoeg om met zwaar materiaal zoals kanonnen vast te lopen, zeker met de verraderlijke greppels die niet te zien waren. En te ondiep om met platbodems het onderwater gelopen gebied over te steken. Op de hoger gelegen delen werden forten en schansen gebouwd om vanaf daar te kunnen verdedigen. De inspanningen waren niet tevergeefs: de Spaanse troepen bliezen hierom de aanval op Amsterdam af. In 1672 brak er opnieuw oorlog uit: De Fransen bezetten Zuid en Midden Nederland. Utrecht en Naarden werden ingenomen en Abcoude werd voor een groot deel afgebrand. De legers konden echter niet door de waterlinie heen komen en Lodelijk de XIV gaf in 1679 bevel het land te verlaten.

In 1815 besloot Koning Willem I een nieuwe linie aan te leggen: De Nieuwe Hollandse waterlinie. Verschil was voornamelijk dat nu ook Utrecht binnen de verdedigingswerken kwam te liggen. In de bestaande forten werden bomvrije ruimten ingericht. Ook verrezen er torenforten, zoals in Weesp en fort Uitermeer. Eind 19eeeuw begon een nieuwe golf van verbeteringen aangezien men verwachtten dat Duitsland zou aanvallen. Rondom Amsterdam werd een kring van forten en inundatiegebieden aangelegd die samen de Stelling van Amsterdam worden genoemd. De hele Stelling heeft een lengte van 135 km en bestaat uit 49 forten. Muiden en Weesp worden ook in dit plan opgenomen en zijn daarbij de enige steden die tot alle drie de waterlinies hebben behoord. Fort Abcoude was het eerste fort dat voor de Stelling werd gebouwd, maar al snel voldeed het niet aan de eisen in verband met de uitvinding van de brisantgranaat die een veel grotere explosie kracht had dan de gangbare met buskruit gevulde granaten. Hierna werden de forten dan ook niet meer gebouwd van baksteen met een dikke laag aarde, maar opgetrokken uit 2 meter dik ongewapend beton. In een straal van 1000 meter moest er snel ontruimd kunnen worden om vrij schootsveld te kunnen krijgen. Dit betekende geen bossen en bouw onder strikte voorwaarden: o.a. huizen en loodsen van hout. Deze zijn nog steeds in de buurt van forten te vinden.

De belangrijkste middelen om het land onder water te laten lopen waren de sluizen. Water werd via de sluizen vanuit rivieren en boezems de polders ingelaten. Als dat niet snel genoeg ging, werden de dijken lek gestoken. Ook werden er damsluizen gebouwd om het water in de rivieren snel te laten stijgen. O.a. bij de Angstel, de Kromme Mijdrecht en de Waver (bij de Voetangelbrug) zijn deze nog altijd aanwezig.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef er oorlogsdreiging en werden de sluizen, stuwen, gemalen en dijken goed onderhouden. Ook om overstromingen tegen te gaan. Intussen was veel overgegaan op elektriciteit. Overal werden noodvoorzieningen aangelegd om bij stroomstoring onbedoeld geen natte voeten te krijgen. Er kwamen verplaatsbare noodpompen en werden oude poldermolens weer bedrijfsklaar gemaakt, zoals de Broekzijdsemolen aan het Gein. Na de Koude oorlog kwam er een einde aan de maatregelen van noodbemaling. De keringen worden echter nog steeds goed in stand gehouden en komen nog steeds soms van pas. Bij de dijkdoorbraak van Wilnis in 2003 werden enkele keringen gesloten om overstroming van nog meer polders te voorkomen.

Unesco Werelderfgoed
 De Stelling van Amsterdam is nooit als weermiddel gebruikt. De forten waren militair al snel achterhaald. Er is nooit één schot gelost. Na de Tweede Wereldoorlog raakten de verdedigingswerken in verval. Verwaarloosd en overwoekerd lagen ze te wachten op de sloophamer.

Maar de Stelling van Amsterdam is uniek in de wereld en werd daarom in 1996 door Unesco uitgeroepen tot Werelderfgoed-monument. Sindsdien krijgen de forten en verdedigingswerken weer aandacht en worden ze opgeknapt door diverse instanties, bedrijven en particulieren. Door het verval zijn er op vele plaatsen unieke natuurgebieden ontstaan met een eigen flora en fauna. Natuurmonumenten heeft dan ook vele van deze verdedigingswerken in bezit.

(Bron: Amstelland, land van water en veen, 2005; een heel leuk boek als je meer over de geschiedenis van vroeger tot nu wilt weten over het ontstaan, de natuur, de landbouw en de cultuur van het Amstelland en de Vinkeveense Plassen wilt weten)

Verbondenheid Amsterdam toen en nu

Al eeuwen lang is het gebied van de Vinkeveense Plassen verbonden met Amsterdam. Goederen van hier gingen de stad in: eerst graan en hennep voor de touwslagerijen. Later melk, dat werd gebracht naar de melkcoöperaties in de stad, zoals de Eendracht, wat nu poppodium De Melkweg is. En tot slot ging turf als brandstof naar Amsterdam. Stadsmensen kwamen hier om te recreëren, dat is van oudsher al zo: ze hadden hier jacht- en visgronden, buitenhuizen en tegenwoordig komen ze voor de watersport en recreatie. Daarnaast is deze omgeving onderdeel geweest van de verdedigingswerken van Amsterdam en is het waterschap opgericht om het water in goede banen te leiden zodat Amsterdam droog blijft.

De stad Amsterdam heeft rond 1960 het zand uit de Vinkeveense Plassen gebruikt voor de aanleg van de Bijlmer en zandeilanden zijn aangelegd voor recreatie van o.a. de Amsterdammers. Al heel heel lang, bestaat er dus al een verbondenheid tussen Amsterdam en dit gebied. Dat vinden wij mooi!